basiskennis
latijn
vereiste kennis
substantiva

nv

gt

SUBSTANTIVA (overzicht)

declinatie:

1e decl.

2e decl.

2e decl.

3e decl.

3e decl.

4e decl.

5e decl.

geslacht:

F(emininum)

M(asculinum)

N(eutrum)

M of F

N

M

F

NOM

sg

fili a

domin us

bell um

urbs

nomen

man us

r es†

GEN

sg

fili ae

domin i

bell i

urb is

nomin is

man us

r ei

DAT

sg

fili ae

domin o

bell o

urb i

nomin i

man ui

r ei

ACC

sg

fili am

domin um

bell um

urb em

nomen

man um

r em

ABL

sg

fili a

domin o

bell o

urb e

nomin e

man u

r e

VOC

sg

.

domin e

         

NOM

pl

fili ae

domin i

bell a

urb es

nomin a

man us

r es

GEN

pl

fili arum

domin orum

bell orum

urb ium

nomin um

man uum

r erum

DAT

pl

fili is

domin is

bell is

urb ibus

nomin ibus

man ibus

r ebus

ACC

pl

fili as

domin os

bell a

urb es

nomin a

man us

r es

ABL

pl

fili is

domin is

bell is

urb ibus

nomin ibus

man ibus

r ebus

Betekenis:

dochter

heer

oorlog

stad

naam

hand

zaak, ding

 
Basisfuncties/ -vertaling van de naamvallen:
Nominativus: onderwerp (subject); naamwoordelijk deel van het gezegde (praedicaatsnomen).
Genitivus: van
Dativus: aan, voor
Accusativus: lijdend voorwerp; bij stedennamen en 'domus': naar
Ablativus: vanaf, door, met
Vocativus: aanspreekvorm. De vocativus is gelijk aan de nominativus, behalve bij woorden op -us van de 2e decl. in het enkelvoud = -e!
N.B. Locativus op -i: een oude naamval die nog voorkomt bij stedennamen en 'domus': domi = thuis; Romae = te/in Rome.
 
Bijzonderheden:
  • Bij onzijdige woorden (neutra) is de acc. altijd gelijk aan de nom. en deze eindigen in het meervoud altijd op: -a.
  • In de 2e decl. eindigen een aantal nomina op -er in de nom.: bijv. puer en ager; en één woord op -ir: vir
  • De 3e declinatie:
    • de nom. sg. kan op van alles eindigen; daarom moet je altijd de gen. sg. op -is erbij leren. Wat voor -is staat is de stam waarachter de andere uitgangen komen.
    • de gen. pl. kan eindigen op -um of -ium.
    • de nom./acc. pl. N. kan eindigen op -a of -ia.
    • de abl. sg. eindigt bij subst. en ppa op -e; maar op -i bij adiectiva!     Maar....
      • (bij substantiva) op -i bij:
        • geografische namen op -is (deze hebben ook acc. sg. op -im)
        • sitis, puppis, turris, turris (=toren), febris, securis (deze hebben ook acc. sg. op -im)
        • woorden op: -e, -al (altijd N.!) bv. mare, maris (= zee), animal
      • (bij adiectiva) op -e bij:
        • vetus , -eris (= oud); dives, -itis; pauper, -ris
  • Denk om de onregelmatige:
        • vir, viri (= man); vis, vim, vi †(= kracht, geweld);
          Iuppiter, Iovis (= Iuppiter) en domus, domus (= huis)
Algemene geslachtsregels: (Deze gaan boven de regels per declinatie!)
Masculinum zijn altijd: mannelijke personen: poŽta = dichter
**rivieren: Sequana = Seine
Femininum zijn altijd: vrouwelijke personen: **steden: Corinthus = Corinthe
(beh. Delphi, -orum =M)
Geslachtsregels per declinatie:
1e declinatie (a-stammen) substantiva op -a zijn F.
2e declinatie (o-stammen) substantiva op -us en -er, -ir zijn M. substantiva op -um zijn N.
3e declinatie (cons.-stammen) de woorden op -os, -or, -er †zijn M.
beh: iter, -itineris (= tocht, reis) is N!
en arbor, -oris (= boom) is F!

de woorden op -o, -s, -x ††zijn F.
beh: o.a: sermo, -onis (= gesprek), ordo, -inis (= rij, orde), homo, -inis (man, mens) zijn M

de woorden op:
-l, -e, -c
-n, -a, -t

-ar, -ur, -us
zijn N(eutrum)
beh: substantiva op -us,- udis en -us, -utis zijn F! (bijv. virtus, -utis = moed, dapperheid)
sol, solis
= zon is M!
4e declinatie (u-stammen) substantiva op -us zijn M.
beh: domus (= huis) en manus (= hand, schare) zijn F!
5e declinatie (e-stammen) substantiva op -es zijn F.
beh: dies (= dag) is M! (betekent het echter een vastgestelde dag of vervaldatum dan is het F!)

basiskennis
1. vormleer
2. syntaxis

vertaaltips
gulden regels

per onderdeel
    vormleer:
  1. substantiva
  2. adiectiva
  3. adverbia
  4. correlativa
    1. adiectiva
    2. adverbia
  5. pronomina
    1. demonstrativa
    2. indefinita
    3. interrogativa
    4. personalia
    5. possessiva
    6. relativa
  6. numeralia
  7. verba algemeen
    1. onvolt. act.
    2. onvolt. pas.
    3. volt. act.
    4. volt. pas.
  8. deponentia
    1. praesens
    2. perfectum
  9. onregelmatige ww
  10. stamtijden
    1. deponentia
    2. composita

  11. syntaxis:

  12. participium
  13. abl.abs.
  14. gerundi(v)um
  15. aci en nci
  16. gebruik tempora
  17. modi in hoofdzin
  18. modi in bijzinnen
    1. afh. vraagzin
    2. causale
    3. comparatieve
    4. concessieve
    5. conditionele
    6. consecutieve
    7. relatieve
    8. temporele
  19. nominativus
  20. genitivus
  21. dativus
  22. accusativus
  23. ablativus
  24. vocativus
  25. locativus e.a.