basiskennis
latijn
vereiste kennis
syntaxis latijn

OVERZICHT SYNTAXIS

(gevraagde kennis voor het eindexamen)
** betekent: staat niet in basiskennis, maar wel erg handig om te weten.

Functies van zinsdelen:

Subject (onderwerp)
- onderwerp uitgedrukt door een (pro)nomen in de nominativus bij indicativus en coniunctivus.
- onderwerp uitgedrukt door een (pro)nomen in de accusativus bij een infinitivus (A.c.I.!).
- onderwerp opgesloten in de werkwoordsvorm
- onderwerp in de vorm van een infinitivus, een a.c.i. of† een n.c.i.
Direct object (lijdend voorwerp)
- lijdend voorwerp uitgedrukt door een (pro)nomen in de accusativus.
- ** lijdend voorwerp uitgedrukt door een (pro)nomen in de genitivus of ablativus:
- ** door genitivus (subiectivus) bij werkwoorden die betekenen: (zich) herinneren en vergeten: memini en obliviscor 3.
- ** door ablativus (separativus) bij de werkwoorden: †careo† (= missen), utor 3 (= gebruiken), fruor 3 (= genieten van), fungor 3 (= vervullen, waarnemen) en het impersonale (onpersoonlijke uitdrukking): opus est mihi (= ik heb nodig)
- ** door dativus bij werkwoorden als bijv.: parco 3 (= iem. sparen); persuadeo (= overtuigen, overreden); studeo (= zich toelggen op) etc.
.
Indirect object (meewerkend voorwerp)
- meewerkend voorwerp uitgedrukt door een (pro)nomen in de dativus.
Predikaat (gezegde)
- verbaal predikaat (werkwoordelijk gezegde): bestaat uit alleen een werkwoordsvorm.
- nominaal predikaat (naamwoordelijk gezegde) bestaat uit een koppelwerkwoordsvorm met - een predikaatsnomen (naamwoordelijk deel). De koppelwerkwoorden zijn: sum (esse) = zijn, fio (fieri) = worden en videor (vidēri) = schijnen.
- Het predikaatsnomen congrueert met het subject.
Attributieve, predicatieve en adverbiale bepalingen
. - predicatief gebruik van het substantivum
- attributief en predicatief gebruik van het adiectivum
- attributief gebruik van het participium
- predicatief gebruik van het participium in causale, temporele en concessieve betekenis (hota!)
- dominant gebruik van het adiectivum en participium
- ablativus absolutus in causale, temporele en concessieve betekenis (hota!).
- gebruik van het gerundivum: (zie ook: vertalen van -ND-vormen)
-- het zuiver attributieve gebruik ( -swaardig)
-- het dominant gebruik: gerundivumconstructie
-- het predicatieve gebruik met sum (esse) (moetende worden)
De infinitivusconstructies
- infinitivus en a.c.i. als subject en object
- de n.c.i. †als subject
- subjects- en objectsaccusativus in de a.c.i.
- de tijdsverhoudingen tussen infinitivus en regerend werkwoord: gelijktijdig, voortijdig en natijdig.
- het reflexivum †in de a.c.i.
- het weglaten van esse.
- de a.c.i. en n.c.i. in relatieve en interrogatieve zinnen.
Preposities
- functie en plaats van de preposities
Het gebruik van (de modi en tempora in) hoofd- en bijzinnen:
HOOFDZINNEN
De grondbetekenissen van indicativus, coniunctivus en imperativus

- indicativus: mededelend, constaterend en (in vragen) informerend
- coniunctivus: subjectief karakter (gebruik coniunctivus heeft een bedoeling)
- imperativus: gebiedend
De betekenis van de tempora in de indicativus:

- praesens, ook praesens historicum
- imperfectum, voorzover het gebruikt wordt om duur, herhaling of gewoonte in het verleden uit te drukken. (dus niet "de conatu")
- perfectum
- plusquamperfectum
- futurum
- futurum exactum

De betekenis van de coniunctivus in hoofdzinnen:

- adhortativus en prohibitivus
- dubitativus
- optativus: vervulbare en onvervulbare wens
- potentialis: heden en verleden
- irrealis: heden en verleden
BIJZINNEN:
Finale bijzinnen

- ingeleid door ut en ne
- ingeleid door ut en door ne †en ne non na werkwoorden van vrezen en verhinderen.
- ingeleid door quin en quominus
- ingeleid door quod

Consecutieve bijzinnen

- ingeleid door ut en ut non

Causale bijzinnen

- ingeleid door quod, quia en quoniam met de indicativus (objectieve reden) of coniunctivus (subjectieve reden).
- ingeleid door cum met de coniunctivus.

Concessieve bijzinnen

- ingeleid door quamquam en etsi met de indicativus
- ingeleid door cum met de coniunctivus

Temporele bijzinnen

- ingeleid door ubi en ut met de indicativus
- ingeleid door postquam met de indicativus perfecti
- ingeleid door dum met de indicativus praesentis
- ingeleid door priusquam en antequam met de indicativus
- ingeleid door cum met de indicativus
- ingeleid door cum met de coniunctivus

Conditionele bijzinnen

- ingeleid door si en nisi :
-- realis
-- irrealis
-- potentialis

Comparatieve bijzinnen

- ingeleid door ut(i), sicut(i) en quemadmodum met de indicativus
- ingeleid door tamquam en quasi †met de coniunctivus
- correlatieve zinnen met talis...qualis, tantus...quantus, tot...quot, tam...quam en totiens..quotiens.

Relatieve bijzinnen de relatieve aansluiting

- de relatieve bijzinnen met de indicativus
- de relatieve bijzinnen met de coniunctivus met finale en consecutieve/definiŽrende betekenis.

Vraagzinnen

- het onderscheid tussen directe en indirecte vraagzinnen
- vraagzinnen ingeleid door een pronomen of adverbium interrogativum.
- vraagzinnen ingeleid door de vraagpartikels -ne, nonne †en num.
- tweeledige vraagzinnen ingeleid door utrum..an, -ne...an of 'niks'..an.
ORATIO OBLIQUA (Indirecte rede)
- hoofdzinnen staan in de a.c.i. behalve:
-- hoofdzinnen die een aansporing, een bevel of een vraag uitdrukken, die staan in de coniunctivus.
-- bijzinnen (afhankelijk van een a.c.i) staan in de coniunctivus.

basiskennis
1. vormleer
2. syntaxis

vertaaltips
gulden regels

per onderdeel
    vormleer:
  1. substantiva
  2. adiectiva
  3. adverbia
  4. correlativa
    1. adiectiva
    2. adverbia
  5. pronomina
    1. demonstrativa
    2. indefinita
    3. interrogativa
    4. personalia
    5. possessiva
    6. relativa
  6. numeralia
  7. verba algemeen
    1. onvolt. act.
    2. onvolt. pas.
    3. volt. act.
    4. volt. pas.
  8. deponentia
    1. praesens
    2. perfectum
  9. onregelmatige ww
  10. stamtijden
    1. deponentia
    2. composita

  11. syntaxis:

  12. participium
  13. abl.abs.
  14. gerundi(v)um
  15. aci en nci
  16. gebruik tempora
  17. modi in hoofdzin
  18. modi in bijzinnen
    1. afh. vraagzin
    2. causale
    3. comparatieve
    4. concessieve
    5. conditionele
    6. consecutieve
    7. relatieve
    8. temporele
  19. nominativus
  20. genitivus
  21. dativus
  22. accusativus
  23. ablativus
  24. vocativus
  25. locativus e.a.