vis kracht, geweld

 
enkelvoud
meervoud
nom.
vis
 
vir
es
gen.    
vir
ium
dat.    
vir
ibus
acc.
vim
 
vir
es
abl.
vi
 
vir
ibus
voc.
 
 
Basisbetekenissen van de naamvallen: (voor de andere betekenissen klik op de naam van de naamval!
Nominativus: onderwerp, naamwoordelijk deel, bijstelling bij ondw.
Genitivus: van
Dativus: aan, voor, meew. vw.
Accusativus: lijdend voorwerp
Ablativus: vanaf, door, met
Vocativus ( beh. bij -us 2e decl. ev = nom!) aanspreekvorm