basiskennis
latijn
vereiste kennis
vormleer latijn

OVERZICHT VORMLEER

(gevraagde kennis voor het eindexamen)
** betekent: staat niet in basiskennis, maar wel erg handig om te weten.

1. De nomina:

a. Substantiva:
De regelmatige verbuiging van:
a-stammen (1e decl.):  filia (= dochter)
o-stammen (2e decl.): dominus (= heer, meester), bellum (= oorlog),
ager, agri
(= akker)  puer, pueri (= jongen, slaaf)
consonantstammen (3e decl.): abl. sg.: -e,  nom./acc. pl. N.: -a,    gen. pl.: -um
bijv. consul, - ulis (= consul); nomen, -inis (= naam)
zuivere i-stammen (3e decl.):  abl. sg.: -i,   nom./acc. pl. N.: -ia,   gen. pl.: -ium
bijv. mare, maris (= zee), turris, turris (=toren).
onzuivere i-stammen (3e decl.): abl. sg.: -e,  nom./acc. pl. N.: -a,    gen. pl.: -ium
bijv.  urbs, urbis (= stad); os, ossis (= been, bot).
u-stammen (4e decl.) manus, manus (= hand, schare)
e-stammen (5e decl.) res, rei (= zaak, ding)
De afwijkende verbuiging van:
enkele substantiva: vir, viri (= man); vis, vim, vi  (= kracht, geweld);
Iuppiter, Iovis (= Iuppiter) en domus, domus (= huis)
de vocativus op  -e : alleen bij woorden op -us van de 2e decl. (o-stammen) in het enkelvoud!  N.B.: -ius > -i: bijv. Vergili; meus > mi: bijv. mi fili
de locativus: domi (= thuis) en Romae (= te Rome)
Algemene geslachtsregels:
Masculinum zijn altijd: mannelijke personen: poëta = dichter
**rivieren: Sequana = Seine
Femininum zijn altijd: vrouwelijke personen: **steden: Corinthus = Corinthe
(beh. Delphi, -orum =M)
Geslachtsregels per declinatie:
1e declinatie (a-stammen) substantiva op -a zijn F.
2e declinatie (o-stammen) substantiva op -us en -er zijn M. substantiva op -um zijn N.
3e declinatie (cons.-stammen) de woorden op -os, -or, -er  zijn M.
beh: iter, -itineris (= tocht, reis) is N! arbor, -oris (= boom) is F!

de woorden op -o, -s, -x   zijn F.
beh: o.a: sermo, -onis (= gesprek), ordo, -inis (= rij, orde), homo, -inis (man, mens) zijn M

de woorden op:
-l, -e, -c
-n, -a, -t

-ar, -ur, -us
  zijn N(eutrum)
beh: substantiva op -us,- udis en -us, -utis zijn F! (bijv. virtus, -utis = moed, dapperheid)
sol, solis
= zon is M!
4e declinatie (u-stammen) substantiva op -us zijn M.
beh: domus (= huis) en manus (= hand, schare) zijn F!
5e declinatie (e-stammen) substantiva op -es zijn F.
beh: dies (= dag) is M! (betekent het echter een vastgestelde dag of vervaldatum dan is het F!)
b. Adiectiva
De regelmatige verbuiging van:

Adiectiva  -o/-a stammen:

(1e / 2e declinatie)

Adiectiva  -i / cons.-stammen

(3e declinatie)

  • adiectiva van 3 uitgangen op -er, -ris
    bijv. acer, acris, acre ( = hevig, fel)
  • adiectiva van 2 uitgangen op -is, -is 
    bijv. fortis, forte ( = sterk, dapper)
  • adiectiva van 1 uitgang: alle andere bijv.  felix ,-icis(= gelukkig), ingens ,-ntis(= geweldig, enorm)
  • vetus (= oud), dives ,-vitis(= rijk) en pauper , -eris(=arm)
De regelmatige trappen van vergelijking:
  • altus                altior               altissimus                    hoog
  • fortis               fortior             fortisssimus                 dapper
  • pulcher           pulchrior         pulcherrimus               mooi
  • facilis              facilior            facillimus                    makkelijk
  • De betekenis ervan:

    comparativus

    • hoger
    • nogal hoog
    • te hoog

    superlativus

    • hoogste
    • zeer hoog
    De onregelmatige trappen van vergelijking van:
  • bonus              goed                 melior              optimus
  • malus              slecht                peior               pessimus
  • magnus           groot                 maior               maximus
  • parvus             klein                 minor               minimus
  • multus             veel                  plus                 plurimus
  • multi                velen                (com)plures      plurimi (= zeer velen)
  •                                                                          plerique (= de meeste)
    De adiectiva pronominalia:
    N.B:
  • gen. sg: op -ius,  
  • dat. sg.  -i.:
  • unus (= één), solus (= alleen), totus (= geheel), ullus (= enig, één   enkele), nullus (= geen enkele), uter? (= wie van beide?), uterque (= elk van beide), neuter (=  geen van beide), alter (de één, de ander [van twee]), alius ,gen: alterius (= [een] ander)
    c. Adverbia
    Regelmatige vorming

    adiectiva -o/-a ( 1e /2e ) declinatie:

    uitgang gen. sg. M. > -e  bijv. alti > alte (= hoog)

    adiectiva gemengde (3e ) declinatie:

    uitgang gen. sg. M. > -iter bijv. fortis > fortiter  (= dapper)

    comparativus:

    gebruikt wordt de acc. sg. N.: -ius bijv. fortius (= dapperder)

    superlativus:

    de uitgang -us > -e bijv. fortissime (= zeer dapper)
    ook wordt gebruikt:
    • acc. sg. N:
      • facile = makkelijk.
      • plerumque = meestal.
      • primum = eerst.
      • ceterum = overigens.
      • parum = te weinig.
      • etc.
    • abl. sg. N:
      • tuto  = veilig.
      • cito = snel.
      • subito = plotseling.
      • forte = toevallig.
      • modo = 1) slechts 2) zo-even
      • etc.
    d. Correlativa
  • het principe van de vorming en het gebruik van: quantus/tantus, qualis/talis, quantum/tantum en quot/tot inclusief het praefix ali- en het suffix -cumque.
  • het principe van de vorming en het gebruik van: ubi/ibi, unde/inde, quo/eo, qua, ea inclusief  de suffixen -dem en -(cum)que, het praefix ali- en de deiktsche  -c : hic, illic etc.
  • e. Pronomina
    Personalia:
    Reflexiva:
    • sibi, se, se
    • incl. de genitivus: sui
    Possessiva:
    Demonstrativa:
    Determinativa:
    Relativa:

    Interrogativa:

    Indefinita:
    • zelfstandig en bijvoeglijk: (ali)quis, quisquam/ullus, quidam, quisquis, quivis, (unus)quisque, nemo/nihil, nullus/nulla res
    f. Numeralia
  • Cardinalia en ordinalia van 1 t/m 20
  • Het principe van de vorming van de cardinalia en ordinalia > 20
  • mille en de verbuiging van; unus, duo, tres en milia.
  • het principe van de vorming van distributiva, bijv. bina castra.
  •  

    2. Het verbum:

    a. De regelmatige vervoeging en betekenis.
    De conjugaties:

    a-stammen of 1e conjugatie

    • voco 1, inf. vocare

    e-stammen of 2e conjugatie

    • terreo, inf. terrére

    cons.-stammen of 3e conjugatie

    • mitto 3,  inf.  mittere

    i-stammen of 4e conjugatie

    • audio 4,  inf.  audire

    capio-groep (voorheen 5e conjugatie)

    • capio 3,  inf.  capere
    De genera:
    • activum
    • passivum
      • (semi)deponentia
    De tempora:
    • 3 onvoltooide tijden:
      • praesens (o.t.t.)
      • imperfectum (o.v.t.)
      • futurum (o.t.t.t.)
    • 3 voltooide tijden:
      • perfectum (v.t.t.)
      • plusquamperfectum (v.v.t.)
      • futurum exactum (v.t.t.t.
    De modi:
    • indicativus
    • coniunctivus
    • imperativus
    Regelmatige perfectumvorming:

    ind. pr. A.

    ind. pf. A.

    p.p.p.

    inf. pr. A

    1e conjugatie voco 1 voca -vi voca -tus vocare
    2e conjugatie terreo
    deleo
    terr -ui
    dele -vi
    terr -itus
    dele -tus
    terrére
    delére
    3e conjugatie mitto 3
    rego 3
    mi -si
    re -xi
    mis -sus
    rec -tus
    mittere
    regere
    4e conjugatie audio 4 audi -vi audi -tus audire
    capio-groep capio cepi cap -tus capere
    Zie voor andere perfectumvorming de stamtijdenlijst!
    b. De nominale vormen van het werkwoord:
    Infinitivus:
    • praesens Actief: -are, -ēére, -ire, -ěre.
    • praesens Passief: -ari, -éri, -iri, -i !
    • futurum Actief: (van ppp:) -urus esse
    • perfectum Actief: -isse
    • perfectum Passief: (ppp): -us esse.
    Participium:
    • participium praes. A. (ppa):  -ns, -ntis.
    • participium perf. P. (ppp): -tus, -ta, -tum / -sus, -sa, -sum.
    • participium fut. A. (pfa):  -urus, -ura, -urum. (van het ppp!)
    Gerundium:
    Het verbum gebruikt als substantief; kan object bij zich hebben:
    • {nom./acc.: scribere (epistulam)}
    • gen.: scribendi (epistulam)
    • dat.: scribendo (epistulam)
    • acc. (na voorzetsel): ad scribendum (epistulam)
    • abl.: scribendo (epistulam)
    Betekenis: "het (een brief) schrijven"=  het schrijven (van een brief);  (in alle naamvallen.)
    Gerundivum:
    Het verbum gebruikt als bijvoeglijk naamwoord, congrueert dus met het woord waar het bij hoort:
    • -ndus, -nda, -ndum
    Grondbetekenis: "-swaardig": laudandus = prijzenswaardig.
                                         Voor het gemak worden gerundium en gerundivum bij de bespreking                                      aangeduid als: -nd-vormen.
    c. De onregelmatige vervoeging en betekenis van:
    De onregelmatige verba:
    sum [esse] (= zijn), possum [posse] (= kunnen), eo [ire] (= gaan),  fio [fieri] (= [gemaakt] worden, volo [ velle] (= willen), nolo [nolle] (= niet willen), malo [malle] (= liever willen), fero [ferre] (= dragen, brengen).
    De onvolledige verba:
    inquam (= zeggen), aio (= zeggen), memini (= zich herinneren), odi (= haten).
    d. De principes van de vorming van (samengestelde) werkwoorden:
    Composita:
    bekend zijn met klinkerwisseling en assimilatie, bij samengestelde werkwoorden.
    Inchoativa:
    geven begin aan: -sc- bijv: van senex > senesco 3 (= oude man > oud worden); aridus > aresco 3 (= droog > droog worden)     
    Intensiva / frequentativa:
    geven versterkte of herhaalde handeling aan: vorming; uitgangen: -to 1 (-tare)of -ito 1 (-itare): ostendo 3 > ostento 1; cano 3 > cantito 1 etc.

    basiskennis
    1. vormleer
    2. syntaxis

    vertaaltips
    gulden regels

    per onderdeel
      vormleer:
    1. substantiva
    2. adiectiva
    3. adverbia
    4. correlativa
      1. adiectiva
      2. adverbia
    5. pronomina
      1. demonstrativa
      2. indefinita
      3. interrogativa
      4. personalia
      5. possessiva
      6. relativa
    6. numeralia
    7. verba algemeen
      1. onvolt. act.
      2. onvolt. pas.
      3. volt. act.
      4. volt. pas.
    8. deponentia
      1. praesens
      2. perfectum
    9. onregelmatige ww
    10. stamtijden
      1. deponentia
      2. composita

    11. syntaxis:

    12. participium
    13. abl.abs.
    14. gerundi(v)um
    15. aci en nci
    16. gebruik tempora
    17. modi in hoofdzin
    18. modi in bijzinnen
      1. afh. vraagzin
      2. causale
      3. comparatieve
      4. concessieve
      5. conditionele
      6. consecutieve
      7. relatieve
      8. temporele
    19. nominativus
    20. genitivus
    21. dativus
    22. accusativus
    23. ablativus
    24. vocativus
    25. locativus e.a.